Vind de samenvatting die je nodig hebt!

de nieuwe terra 2 vwo arm en rijk

Samenvatting aardrijkskunde Hoofdstuk 1: Arm en rijk

Paragraaf 1.1: Langs de meetlat

A: Hoe meet je rijkdom?
* bruto nationaal product per inwoner (= bnp per inwoner) - Dit is het gemiddelde inkomen per inwoner per jaar (meestal in dollars of euro’s berekend)
Armoedegrens: Volgens de wereldbank is dat sinds 2008 een inkomen van 1,25 dollar per dag (= 1 euro per dag). Van dat geld zou je menswaardig moeten kunnen leven.

Nadelen van het bnp per inwoner:
* Wat je in sommige landen betaalt voor een complete maaltijd, is in Nederland net genoeg voor een toetje.
* Het bnp klopt niet altijd met de werkelijkheid. Producten voor eigen gebruik zijn niet meegerekend. Vooral in arme landen verbouwen veel mensen hun eigen voedsel.
* Het bnp is een gemiddelde. Niet iedereen in ‘n arm land is arm en niet iedereen in ‘n rijk land is rijk.

B: Hoe verdeel je de wereld in rijk en arm?
welvarend land
Een land met hoge inkomens (welvaart = rijkdom) zoals bv. Nederland
Landen met hoge inkomens liggen vooral in het noorden van de wereld. Arme landen liggen vooral in het zuiden. Daarom heet de indeling van de wereld in rijke en arme landen de noord-zuidtegenstelling.

C: Hoe verschilt het welzijn?
Welzijn = de levensomstandigheden waaronder mensen leven. Hier horen de basisbehoeften bij.
Basisbehoeften = zaken die iedereen nodig heeft om menswaardig te leven.  Dit zijn:
      voeding      ‚ huisvesting        ƒ onderwijs      „ gezondheidszorg

De Verenigde Naties onderzoekt regelmatig de levensomstandigheden. Voor elke basisbehoefte bedenkt de VN een maat:
Voeding ð  bijv. de eiwitconsumptie (moet meer dan 55 gram eiwit per persoon zijn)
Onderwijs ð  analfabetisme (mensen die niet kunnen lezen en schrijven)
Gezondheidszorg ð  levensverwachting (aantal jaren dat iemand gemiddeld te leven heeft)
De VN meet ook het bnp, want je hebt nu eenmaal geld nodig om de basisbehoeften te kunnen betalen.
Uiteindelijk krijgt elk land een cijfer tussen het getal 0 en 1.  Met die cijfers maakt de VN de welzijnsindex ¢ een ranglijst van landen van hoog naar laag.
Welzijnsindex wordt ook de VN-index genoemd of de Human Development Index.

Hoog welzijn: hoger dan 0,800
Gemiddeld welzijn: 0,500 t/m 0,799
Laag welzijn: lager dan 0,500

EXTRA:
Zijn er verschillen binnen landen?
In de meeste arme landen is ‘n kleine groep rijke mensen en ‘n grote groep arme mensen.
Elite: Rijke mensen met veel macht. Bv. regeringsleiders, legerofficieren, politie, directeuren.
Er zijn ook verschillen tussen gebieden:
Centrum: Het rijkste en meest ontwikkelde deel van een land. Mensen in het centrum nemen belangrijke beslissingen. Een groot deel van de bevolking woont er. Opleidingsniveau en inkomen ligt er boven landelijk gemiddelde.
Periferie: Platteland. Hier wonen minder mensen en de invloed en macht is kleiner.
Semiperiferie: Gebieden met kenmerken die tussen het centrum en periferie in liggen.

Ranking the countries:
Het grootste land is Rusland: ruim 17 miljoen km2 groot.
Het kleinste land is Vaticaanstad: 0,44 km2 groot.
Zo kun je op verschillende manieren landen langs een meetlat leggen.
Als het gaat om ontwikkeling, dan is de grootte van een land daarbij niet belangrijk. De hoogte van inkomen is wel van belang.
Je kunt een lijst maken van landen in volgorde van een hoog inkomen naar een laag inkomen. Dat kun je ook doen als je kijkt naar de levensomstandigheden.
Door landen op verschillende manieren langs een meetlat te leggen, krijg je een goed beeld van de verschillen tussen welvarende landen en landen in de derde wereld.

Paragraaf 1.2: Bevolkingsgroei

A: Hoe groeit de wereldbevolking?
Door het grote geboorteoverschot groeit de wereldbevolking snel. Maar niet overal even snel. Van elke 100 mensen die de komende tien jaar geboren worden, komen er 84 in de minder welvarende landen op de wereld.
Demografisch zwaartepunt _ Geeft aan waar de meeste mensen wonen. Dat ligt nu al in het zuiden. Dit punt verschuift in de toekomst verder naar het armere deel van de wereld.
Verdubbelingstijd _ Dit geeft aan hoeveel jaar het duurt voordat de bevolking twee keer zo groot geworden is. Als de bevolking in India net zo snel blijft groeien als nu, dan verdubbelt de bevolking zich in 51 jaar. Dat betekent dat India in het jaar 2057 meer dan 2 miljard inwoners heeft.

B: Waardoor verandert de bevolkingsgroei?
De bevolking groeit niet altijd even snel. Geboortecijfers en sterftecijfers kunnen veranderen. Die veranderingen kun je in een grafiek laten zien (zie bron 2). Deze heet het demografisch overgangsmodel.
Fases in dit model:
Fase 1 " Hoge geboortecijfers en sterftecijfers. Mensen die nauwelijks contact hebben met de moderne wereld. Bijv. Indianenstammen in het tropisch regenwoud van de Amazone.
Fase 2 " Geboortecijfer blijft hoog, sterftecijfer daalt snel. Bijv. Kenia. Het aantal sterfgevallen neemt daar af dankzij betere gezondheidszorg, schoon drinkwater en meer voedsel. Kenia heeft daardoor nu een groot geboorteoverschot. Door lage opleiding verdienen mensen minder, hebben lager inkomen en slechte gezondheidszorg. Bovendien betekent een groot gezin aanzien.
Fase 3 " Sterftecijfer blijft licht dalen. Geboortecijfer daalt snel. Bijvoorbeeld India. Het geboortecijfer daalde er in 50 jaar van 45 naar 22 per duizend inwoners. Dat is nog steeds hoger dan in Nederland. Het sterftecijfer is er zelfs lager dan in Nederland.
Fase 4 " Geboortecijfer en sterftecijfer zijn laag. De meeste rijke landen, zoals Nederland, zitten in fase 4. De bevolking groeit er langzaam.
Fase 5 " Stijging sterftecijfer door oude bevolking. Bevolkingsafname. Bijvoorbeeld Duitsland. In Duitsland is een sterfteoverschot en geen geboorteoverschot.
Deskundigen gaan ervan uit, dat alle landen de veranderingen van fase 1 naar fase 5 zullen meemaken.
Redenen voor hoge geboortecijfers in arme landen:
- Veel kinderen sterven voor hun eerste verjaardag.
-  Kinderen zorgen voor hun ouders als ze oud zijn.
- Veel kinderen helpen met het werk op het land.
- Te weinig kennis over en geld voor geboortebeperking.
- Soms verbiedt de godsdienst geboortebeperking.

C: Waardoor daalt het geboortecijfer?
De VN praat met regeringen van derdewereldlanden. De VN wil dat regeringen maatregelen treffen om het geboortecijfer te laten dalen. Om dat voor elkaar te krijgen moeten landen werken aan:
* Gezinsplanning of geboorteregeling
     -   voorlichting
     -   middelen makkelijk krijgen
* Betere gezondheidszorg
     -   Ouders kiezen minder geboorten als ze weten dat hun kinderen in leven blijven
* Beter onderwijs, vooral aan vrouwen
     -   Door beter onderwijs kunnen vrouwen beslissen of ze wel of niet aan gezinsplanning zullen doen. Bovendien trouwen vrouwen niet zo jong als ze langer naar school gaan. Bijvoorbeeld in Indonesië, daar trouwen ongeschoolde vrouwen gemiddeld op 17 jarige leeftijd en geschoolde vrouwen op 22 jarige leeftijd.

EXTRA
Blijft de wereldbevolking groeien?
De wereldbevolking groeide vooral tussen 1950 en 2000 snel. Maar het groeitempo neemt af. Onderzoekers voorspelden dat er in 2000 7,6 miljard mensen op de wereld zouden zijn. Dit waren er 6,1 miljard.
Dit komt door:
- geboortecijfer daalde sneller dan verwacht
- gezinsplanning is in meer landen normaal geworden
- eenkindpolitiek in China (mogen niet meer dan 1 kind per gezin hebben)
- bevolkingsgroei in veel Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara is lager dan verwacht. Het sterftecijfer blijft er hoog, door ziekten als aids en malaria.

De grote ooievaarsshow.
De kille cijfers laten zien dat er in de wereld wel erg veel kinderen geboren worden. De wereldbevolking groeit dan ook snel.
Groei van bevolking heeft niet alleen met geboortecijfer te maken. Belangrijk is ook het aantal mensen dat sterft. Een bevolking groeit alleen als er een geboorteoverschot is.

Paragraaf 1.3: Geld verdienen

A. Welke beroepen hebben mensen?
1) Primaire sector  Ž producten rechtstreeks uit de levende natuur halen - Landbouw, bosbouw of visserij. Vooral in minder welvarende landen.
2) Secundaire sector Ž nieuwe producten maken van grondstoffen - industrie en ambacht, de bouw, bedrijven die drinkwater, gas en elektriciteit produceren.
3) Tertiaire sector Ž dit is de dienstensector - handel, transport, financiele dienstverlening (banken en verzekeringen), gezondheidszorg, brandweer, politie, onderwijs, toerisme en kunst. Vooral in welvarende landen.

B. Hoe werkt de wereldhandel?
Alle landen hebben handel, omdat je producten nodig hebt van elkaar:
­ import (invoer) => goederen die uit een ander land de grens over worden gebracht
­ export (uitvoer) => goederen die een land aan een ander land levert

In- en uitvoer kunnen bestaan uit:
- Grondstoffen = Onbewerkte producten uit de primaire sector en de mijnbouw.
- Halffabrikaat = Een industrieproduct dat nog verder verwerkt moet worden.
- Eindproducten = Dit is klaar voor gebruik.
Voorbeeld:
grondstof is katoen Ž halffabrikaat is een rol jeansstof Ž eindproduct is een spijkerbroek

Arme landen voeren vooral grondstoffen en halffabrikaten uit. Dit is niet gunstig, want de prijs hiervan is laag. Ze moeten wel dure eindproducten invoeren, bijv. auto’s en computers. Dit wordt steeds erger, want de prijzen van grondstoffen stijgen niet snel en eindproducten worden steeds duurder. Dit noemen we ruilvoetverslechtering.
Nadelen voor arme landen:
­ Ruilvoetverslechtering = een land moet steeds meer goederen exporteren om dezelfde import als vroeger te kunnen betalen.
­ Eenzijdige export = slechts 1 product of enkele producten uitvoeren

C. Mens of machine, wie doet het werk?
De manier van produceren is in arme en rijke landen heel anders. In arme landen komt vooral arbeidsintensief werk voor.
arbeidsintensief = er komt veel handwerk kijken bij het maken van producten. Er worden weinig machines gebruikt. De arbeidsproductiviteit van een arbeider is daardoor laag.
arbeidsproductiviteit = de hoeveelheid werk die iemand in een bepaalde tijd doet.
In rijke landen is de arbeidsproductiviteit veel hoger. Machines en computers nemen een groot deel van het werk over. Door het gebruik van robots zijn er steeds minder mensen nodig. De productie in zo’n fabriek is kapitaalintensief.
Dualisme = situatie in arme landen, waarbij modernisering is, maar ook veel uit het verleden. Dus je ziet bijvoorbeeld een hypermoderne fabriek naast het werkplaatsje van een koperslager.
Door machines is er voor sommige mensen minder werk. Bijvoorbeeld in de landbouw. In arme landen moeten mensen dan op straat hun inkomen verdienen. Bijvoorbeeld als straatmuzikant of als pindaverkoper. Dit heet scharreleconomie of informele economie.

Paragraaf 1.4: In ontwikkeling

A. Welke problemen moeten landen aanpakken?
Millenniumdoelen
_ Dit zijn afspraken, gemaakt in 2000 door regeringsleiders van 192 landen. De eerste doelen gaan over het verbeteren van de situatie in ontwikkelingslanden. Het achtste doel geeft aan wat rijke landen moeten doen.
Om te kijken of de situatie verbetert, wordt steeds vergeleken met de cijfers van 1990.
Niet in alle landen worden de doelen bereikt. Ook is er verschil binnen de landen, vooral tussen steden en platteland.
De millenniumdoelen:
1 Ž In 2015 zijn extreme armoede en honger uitgebannen
2 Ž In 2015 gaan alle jongens en meisjes naar school
3 Ž In 2015 hebben alle mannen en vrouwen dezelfde rechten
4 Ž In 2015 is kindersterfte sterk afgenomen
5 Ž In 2015 sterven er minder vrouwen door zwangerschap
6 Ž In 2015 is de verspreiding van ziektes als aids en malaria gestopt
7 Ž In 2015 leven meer mensen in een duurzaam leefmilieu
8 Ž In 2015 is er meer eerlijke handel, schuldenverlichting en hulp

B. Hoe verbetert exportoriëntatie de welvaart?
Exportoriëntatie
_ Voor het verbeteren van levensomstandigheden is geld nodig. Dit kunnen landen verdienen door meer goederen te exporteren.
Hoe?
- Er is meer geld te verdienen door halffabrikaten te exporteren ipv grondstoffen.
- Arme landen die fabrieken uit rijke landen aantrekken. Zo laat bijvoorbeeld Nike hun schoenen maken in Indonesië. Dit levert inkomen, werk en kennis op voor het arme land.
Nieuwe industrielanden _ Landen die deze exportgeoriënteerde industrie opbouwen. Ze veranderen van derde wereld land tot een industrieland. Bijvoorbeeld: Brazilië, Rusland, India, China, Mexico, Indonesië en Turkije. Deze groep landen heet samen de BRICMIT (de eerste letters van de landennamen).

C. Welke rol spelen rijke landen?
Rijke landen hebben veel invloed op de ontwikkeling van arme landen.
Ž ontwikkelingshulp
Ž eerlijke manier van handel toepassen
Nog heel vaak beschermen rijke landen hun fabrieken. Zij doen dat door invoerbeperkingen of invoerrechten.
Invoerbeperkingen [ Rijke landen laten maar kleine hoeveelheden goederen uit het buitenland toe.
Invoerrechten [ Belastingen die een buitenlands bedrijf moet betalen als het zijn producten in een ander land wil invoeren.
Protectionisme [ De beschermende maatregelen die rijke landen hebben ingesteld tegen buitenlandse concurrentie.
In de Wereldhandelsorganisatie (WTO) komen landen bij elkaar om afspraken te maken over afschaffing van dit protectionisme.

Een manier om minder geld uit te geven aan buitenlandse handel is het verkleinen van de import:
importsubstitutie = verkleinen van de import als het land zelf producten gaat maken die eerst ingevoerd werden.
Landen die hiervoor kiezen, beginnen vaak met het maken van eenvoudige consumptiegoederen.
consumptiegoederen = producten die mensen in hun dagelijks leven gebruiken, zoals frisdrank, voeding en kleding.
kapitaalgoederen = goederen die je nodig hebt om andere goederen te maken, zoals vrachtauto’s en machines.