de nieuwe terra 2 vwo het weer
Samenvatting aardrijkskunde hoofdstuk 2: Het weer
Paragraaf 2.1: Altijd ander weer
A. Waaruit bestaat het weer?
Het weer is niet alleen tijdelijk, het wisselt ook van plaats tot plaats.
KNMI: - Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut in De Bilt. Het is de belangrijkste organisatie in Nederland die zich met het weer bezig houdt.
Taken KNMI:
- dagelijks metingen doen
- gegevens verzamelen
- berekeningen maken met de getallen die verzameld zijn
Voorbeelden van gegevens die gemeten worden door het KNMI:
* temperatuur - wordt gemeten in graden Celcius
* neerslag - wordt gemeten in mm. Dit kan regen, sneeuw, hagel, ijzel of mist zijn.
* windkracht - hoe hard de wind waait. Wordt aangegeven in cijfers 1 t/m 12.
* windrichting - waar komt de wind vandaan. Westenwind zorgt in Nederland vaak voor regen.
De wind is vochtig omdat hij van zee komt.
* bewolking - die varieert van onbewolkt via halfbewolkt naar zwaarbewolkt
* zonneschijn - aantal uren per dag
* vochtigheid van de lucht - Als de lucht erg vochtig is kan het gaan regenen. Bij droge lucht niet.
B. Wat is luchtdruk?
** dampkring = luchtlaag rond de aarde
In het onderste deel van de dampkring (tot ongeveer 10 km hoogte) gebeurt alles wat met het weer te maken heeft. In deze dampkring zitten luchtdeeltjes, maar ook vocht en afvalstoffen die mensen in de lucht brengen. Al die dingen hebben gewicht. Het gewicht van die luchtlaag noemen we luchtdruk. Die luchtdruk kun je meten met een barometer. De getallen die dat oplevert worden uitgedrukt in hectoPascal (hPa).
- Gemiddelde getal op zeeniveau - 1013 hPa.
- Lagedrukgebied - Als de getallen lager zijn dan 1013 hPa
- Hogedrukgebied - Als de getallen hoger zijn dan 1013 hPa
Overal in de wereld meten we voortdurend de luchtdruk. Dat zijn duizenden cijfertjes per dag. Om te zorgen dat het goed te lezen is, worden lijnen getrokken tussen plaatsen. Alle plaatsen die bijv. 1010 hPa hebben, komen met een lijn aan elkaar vast te zitten.
** isobaren - lijnen die dezelfde luchtdruk aangeven. Door die lijnen zijn de kaarten leesbaar.
C. Welk weer hoort bij hoge- en lagedrukgebieden?
Lucht die rond de aarde hangt is voortdurend in beweging. De lucht stroomt van het ene gebied naar het andere gebied. Deze beweging noemen wij de wind.
** lagedrukgebied - de lucht gaat omhoog. Daarbij koelt de lucht af. Koude lucht kan weinig vocht vasthouden. Er ontstaan druppeltjes. Dat heet condenseren. De lucht wordt steeds vochtiger en tenslotte kan het gaan regenen.
** hogedrukgebied - de lucht gaat omlaag. Dalende lucht wordt steeds warmer en droger. Wolken verdwijnen en het is meestal zonnig weer.
De meeste mensen merken niet of de luchtdruk hoog is of laag. Voor sporters kan dat belangrijk zijn. Bij schaatswedstrijden worden de meeste wereldrecords gereden als de luchtdruk niet zo hoog is. Dan is de weerstand van de lucht minder groot.
EXTRA
Wat verandert er in de hoogte?
Elke dag worden op meer dan 500 plaatsen in de wereld weerbalonnen opgelaten. De instrumenten die er aan vast zitten meten de samenstelling van de lucht op grote hoogte.
Daarbij komt je de volgende veranderingen tegen:
* hoe hoger je komt hoe kouder - Als je 1000 meter stijgt is de temperatuur gemiddeld 6 graden lager.
* hoe hoger je komt hoe kleiner het gewicht van de luchtlaag wordt - er is immers minder lucht boven je. Bergbeklimmers nemen vaak flessen met zuurstof mee als ze gaan klimmen.
Paragraaf 2.2: Luchtdruk en wind
A. Waar liggen hoge- en lagedrukgebieden?
Hoge- en lage druk gebieden kunnen overal voorkomen, maar als je goed kijkt, zie je dat ze een vaste plek hebben.
* het tropisch minimum - Alle lagedrukgebieden rond de evenaar. De lucht is vochtig en door de warmte stijgt deze lucht. Dat geeft veel regen. Er is een tropisch klimaat.
* het subtropisch maximum - hogedrukgebieden op ongeveer 30 graden noorderbreedte en 30 graden zuiderbreedte. Dit is een hogedrukgebied waar weinig regen valt en het onbewolkt is. Daar liggen woestijnen.
* het subpolair minimum - lagedrukgebieden op ongeveer 60 graden breedte. Hier stijgt de lucht. Een van die lagedrukgebieden ligt vaak in de buurt van IJsland. Dit is soms zo groot, dat het over heel West-Europa ligt.
* het polair maximum - hogedrukgebied met weinig regen. Ligt bij de polen. Het is er heel erg droog en koud.
B. Uit welke richting waait de wind?
Hoge- en lagedrukgebieden kunnen zich verplaatsen, welke kant dat opgaat heeft te maken met de wet van Buys Ballot = een wind waait altijd van een hogedrukgebied naar een lagedrukgebied. (Op noordelijk halfrond draait de wind naar rechts, op zuidelijk halfrond naar links.) Komt bij hogedrukgebied naar beneden, stroomt langs de aardkorst in de richting van een lagedrukgebied.
De route die de wind aflegt maakt een omweg - komt door de draaiing van de aarde.
Op de weerkaart zie je dat terug in de pijltjes die de windrichting aangeven.
Rond hogedrukgebied gaan de pijltjes met de wijzers van de klok mee. Bij lagedrukgebied gaan ze tegen de wijzers van de klok in.
C. Welke verschillende soorten lagedrukgebieden zijn er?
Overal op de wereld ontstaan voortdurend nieuwe lagedrukgebieden. Dat gebeurt altijd op plaatsen waar de lucht stijgt.
depressies - lagedrukgebieden in Nederland. Hebben soms een doorsnede van meer dan 1000 kilometer. Ze kunnen zich over grote afstanden verplaatsen en brengen meestal regen en wind.
tropische orkanen - heel sterke lagedrukgebieden die in de tropen ontstaan. Gebeurt aan eind van de zomer boven de oceaan, als het water warmer is dan 26 graden. Lucht stijgt snel door hoge temperatuur. Soms wel tot 18 km hoogte. Aan het aardoppervlak kan de luchtdruk heel laag worden, bijv. 920 hPa. Door de snelle stijgende lucht wordt er vanuit de omgeving veel lucht aangezogen. Dat kan windsnelheden geven van wel 250 km per uur. Hierdoor kan schade ontstaan.
windhozen - ontstaat door kleine lagedrukgebieden op warme dagen. De lucht stijgt en gaat draaien. Vanuit de omgeving wordt van alles aangezogen, bijv. stof. Als de luchtdruk heel laag is ook auto’s, planten en huizen.
EXTRA:
Hoe belangrijk is de windrichting voor het weer?
In Nederland waait de wind het meest uit het zuidwesten. Dit heeft te maken met het Azorenhoog bij Afrika en het lagedrukgebied bij IJsland. Vanuit het hogedrukgebied waait de wind naar het lagedrukgebied. Dat is dus een zuidenwind. Maar deze krijgt onderweg een afwijking naar rechts. Hierdoor verandert hij in een zuidwesterwind. Een zuidwesterwind in Nederland komt van de Noordzee en de Atlantische Oceaan. Deze lucht is vaak vochtig en daardoor regent het in Nederland vaak.
Als in Zweden een hogedrukgebied is en een lagedrukgebied boven Zuid-Europa is in Nederland een Noordoostenwind.Deze kan in de winter voor strenge vorst zorgen.
Zware stormen: tyfoons, cyclonen of hurricanes. Ontstaan altijd boven warm oceaanwater en kunnen grote schade aanrichten. Ze krijgen altijd een naam. De eerste orkaan van dit jaar begint met de letter A, de tweede een B enz.
Nog een keer de begrippen in het kort:
lagedrukgebied = gebied met weinig luchtdruk. de lucht stijgt
hogedrukgebied = gebied met hoge luchtdruk. de lucht daalt
tropisch minimum = lagedrukgebied in de buurt van evenaar
subtropisch maximum = hogedrukgebied in de buurt van 30 graden breedte
subpolair minimum = lagedrukgebied in de buurt van 60 graden breedte
polair maximum = hogedrukgebied in de buurt van de noordpool of de zuidpool
wet van buys ballot = de wind waait van een hogedrukgebied naar een lagedrukgebied. op het noordelijk halfrond heeft hij een afwijking naar rechts en op het zuidelijk halfrond een afwijking naar links.
depressie = een gebied met lage luchtdruk
tropische orkaan = een sterk lage drukgebied dat bij warm weer in de tropen ontstaat.
windhoos = klein lagedrukgebied met sterke draaibewegingen.
Paragraaf 2.3: Storm en regen
A. Hoe hard waait het?
Het fijne stof uit de Sahara kan alleen naar Nederland worden gebracht als het hard waait.
Wanneer waait het hard en wanneer niet?
- Dit heeft meestal te maken met de ligging van de lage- en hogedrukgebieden:
* is er een hogedrukgebied in de buurt of een lagedrukgebied? - Midden in een lagedrukgebied waait het bijna altijd erg hard. De lucht gaat daar omhoog en dat verlies moet aangevuld worden. Dat zorgt voor veel wind.
* In het centrum van een hogedrukgebied waait het bijna niet - Rustig en zonnig weer.
* Hoe groot is de afstand tussen een hogedrukgebied en een lagedrukgebied? - Als ze ver uit elkaar liggen waait het meestal niet zo hard. Als de heel dicht bij elkaar liggen kan het flink stormen. Op een weerkaart zie je dat aan de isobaren. Als de afstand tussen de isobaren groot is, waait het niet zo hard.
* Hoe groot is het drukverschil tussen een hogedrukgebied en een lagedrukgebied? - hoe groter het drukverschil hoe harder het kan waaien.
B. Wat zijn fronten?
** front - de grens tussen twee verschillende soorten lucht
** frontale neerslag - als twee soorten lucht (koude zware en warme lichtere) botsen moet de warme lucht stijgen. Hierdoor koelt de lucht af. Het vocht gaat dan condenseren. Er ontstaan wolken en het kan gaan regenen. Dit is frontale neerslag.
* warmtefront - warme lucht is zo sterk dat de koude lucht uit een gebied verdreven wordt. Op de kaart is dit een lijn met bolletjes. De bolletjes geven de richting aan waarin het front zich verplaatst.
* koufront - de koude lucht is de sterkste luchtsoort. De warme lucht verdwijnt en de temperatuur daalt. Dit kan voor sneeuwbuien zorgen. Op de weerkaart wordt het vaak getekend als een blauwe lijn en driehoekjes. Ook hier geven de figuurtjes de richting aan waarin het front zich verplaatst.
C. Waardoor heeft Nederland wisselvallig weer?
Veranderingen hebben te maken met de ligging van hoge- en lagedrukgebieden.
Wisselvallig weer komt door:
- zuidwesterwind - ontstaat door lagedrukgebied bij IJsland en hogedrukgebied voor de kust van Afrika. Deze drukgebieden liggen niet altijd op dezelfde plaats. Soms ligt het hogedrukgebied boven de Middellandse Zee. Dan krijgen we in Nederland een wind uit het zuiden. Die wind kan Saharazand meenemen.
- drukgebieden uit andere werelddelen - veel orkanen die in de Verenigde Staten voor storm en regen zorgen, geven een week later slecht weer in West-Europa.
- sterk Azorenhoog - dit kan een groot deel van Europa bedekken. Het zorgt voor veel zon en rustig weer.
- lagedrukgebied bij IJsland - in Nederland veel storm en regen
- nieuwe lagedrukgebieden boven West-Europa - bijv. op een hete zomerdag. Warme lucht stijgt en aan begin avond ontstaat een pittige onweersbui.
EXTRA
Welke windkracht hebben we gemeten?
* schaal van Beaufort - indeling van de kracht van de wind. Deze schaal loopt van 1 tot 12. Windkracht 1 = windstil
Windkracht 9 = storm. Wind waait met gemiddeld 75 km. per uur.
Windkracht 12 = orkaan. Wind waait met gemiddeld 117 km. per uur. Bij rukwinden kan het nog harde waaien, soms wel 200 km. per uur. Deze kunnen behoorlijk veel schade veroorzaken.
Niet alle orkanen zijn even sterk. In de tropen komen wel orkanen voor met windsnelheden van 400 km. per uur!
Paragraaf 2.4: De weerkaart
A. Waar komt ons weer vandaan?
Het weer in Nederland is zeer wisselvallig. Een paar dagen mooi weer kunnen afgewisseld worden door een periode met storm en regen. Vaak heeft dat te maken met de wind die in Nederland waait:
* Als de wind uit het zuidwesten komt is de lucht meestal vochtig.
- Deze wind komt van de Atlantische Oceaan. In de winter is deze lucht niet zo koud door de zee.
* Als de wind uit het noordwesten komt is de lucht meestal koud.
- Deze lucht komt uit het gebied bij IJsland en Schotland. Dat betekent flinke buien.
* Als de wind uit het noordoosten komt is de lucht ’s winters meestal erg koud en droog.
- Deze koude lucht komt bijvoorbeeld uit Finland.
* Als de wind uit het zuidoosten komt is de lucht meestal droog.
- Deze lucht komt uit het midden zuidoosten van Europa. In de winter kan deze lucht erg koud
zijn, maar in de zomer zorgt deze wind vaak voor een hittegolf.
B. Wat heb je nodig voor een weersverwachting ?
Sommige groepen mensen willen graag een nauwkeurige voorspelling. Bijv. boeren en piloten of mensen die een zeilwedstrijd organiseren.
Dit is nodig voor een weersverwachting:
** heel belangrijk is de vraag waar de wind vandaan komt
- Windrichting vind je door te kijken naar de luchtdrukverdeling. Op een kaart met isobaren zie je
de ligging van hogedrukgebieden en lagedrukgebieden.
** in elk weerbericht moet de temperatuur worden genoemd
- temperatuur wordt een paar keer per dag opgenomen en de getallen komen op een grote
kaart. Er worden lijnen getrokken tussen plaatsen die dezelfde temperatuur hebben. Deze
lijnen heten: isothermen.
** weerbericht moet aangeven of het gaat regenen of dat het droog blijft:
- soms heeft dit te maken met de herkomst van de lucht. Lucht van zee is meestal vochtig. Lucht
uit het Oosten van Nederland is meestal droog.
- de kans op neerslag heeft ook te maken met de temperatuur. Op warme dagen kan veel vocht
verdampen. Aan het einde van de dag kunnen korte onweersbuien ontstaan. Deze vorm van regen heet stijgingsregen.
C. Wat staat er op een weerkaart ?
In kranten, op tv of op internet kun je verschillende weerkaarten vinden. Sommige kaarten zijn eenvoudig. Er staan getallen op die de temperatuur aangeven, of er staat een zonnetje of een wolkje.
Op echte weerkaarten gaat dat verder. Hier staat het volgende op:
* isothermen - deze lijnen geven de temperatuur aan. Vaak wordt ook met kleuren gewerkt.
* isobaren - dunne zwarte lijnen die de luchtdruk aangeven. L voor lagedrukgebied, H voor hogedrukgebied
* warmtefronten - lijnen met bolletjes. Zo zie je in welke richting het warmtefront zich plaatst.
* koufronten - lijnen met driehoekjes. Zo zie je in welke richting het koufront zich plaatst.
* bewolking, windsterkte en windrichting - Een complete weerkaart kan deze gegevens bevatten. Op veel weerkaarten ontbreken die gegevens, omdat de kaart anders te vol wordt.
EXTRA
Gaat het regenen?
Op ruimtefoto’s kun je goed zien waar bewolking is en waar het onbewolkt is. Als de bewolking dichterbij komt, kan het gaan regenen.
Om vast te stellen of het gaat regenen, werkt het KNMI met de buienradar. Vanuit dit punt worden voortdurend in alle richtingen signalen uitgezonden. Die worden teruggekaatst door wolken en door neerslag.
Op de site van het KNMI kun je dat zien. Donkere vlekken op de beelden betekenen dat het hard gaat regenen.
Dit is echter niet helemaal betrouwbaar. Kleine regenbuien worden soms niet opgemerkt. Een ander probleem is mist. De buienradar ziet deze wolken, maar de mist zorgt niet voor neerslag.